De verschuldigdheid van een Transitievergoeding blijft de gemoederen bezighouden

Als een werknemer wordt ontslagen heeft hij doorgaans recht op een transitievergoeding. Het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt in artikel 7:673 dat de transitievergoeding alleen moet worden betaald door de werkgever als een arbeidsovereenkomst in zijn geheel wordt opgezegd.


Transitievergoeding bij een gedeeltelijk ontslag

In mijn Blog van 19 september 2018 heb ik aandacht besteed aan de uitspraak van de Hoge Raad van 14 september 2018, waarin in de zogenoemde Kolom-beschikking werd bepaald dat – hoewel de wet hier niet in voorziet – een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever mogelijk is en dat daar ook een recht op een gedeeltelijke transitievergoeding voor de werknemer bij hoort.


De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat de werkgever een vergoeding verschuldigd is in het bijzondere geval dat de werknemer door omstandigheden gedwongen wordt om minder uren te werken.

De Hoge Raad noemt daarbij als mogelijke voorbeelden de situatie dat wegens bedrijfseconomische redenen arbeidsplaatsen gedeeltelijk vervallen en de situatie dat een werknemer blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt. Wel moet er dan volgens de Hoge Raad sprake zijn van een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd. Hiervan is sprake als de arbeidstijd met ten minste 20% wordt verminderd en deze vermindering naar redelijke verwachting ook blijvend is.


Als motivatie gaf de Hoge Raad aan dat als de aanspraak op een transitievergoeding in een dergelijk geval niet zou worden aanvaard, de werknemer door de vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding zou mislopen waarop hij wel recht zou hebben gehad bij een algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst.


Als de arbeidsovereenkomst na de vermindering van de arbeidstijd vervolgens in zijn geheel zou worden beëindigd, wordt de grondslag op basis waarvan de transitievergoeding wordt berekend aanzienlijk lager. Omdat dit niet voor rekening van werknemer behoort te komen, heeft de werknemer in een dergelijk geval recht op een gedeeltelijke transitievergoeding, overeenkomstig de urenvermindering.


Transitievergoeding bij een substantiële vermindering van het salaris

De uitspraak in de zogenaamde Kolom-beschikking in 2018 heeft voedingsbodem gegeven aan de juridische vraag of een werknemer ook aanspraak kan maken op een (gedeeltelijke) transitievergoeding als hij wordt herplaatst in een andere (passende) functie, waarbij hij een aanzienlijk lager salaris gaat verdienen.


Een dergelijke zaak speelde zich af bij het Hof Amsterdam. De zaak betrof een lerares die naar aanleiding van blijvende arbeidsongeschiktheid herplaatst was in de functie van onderwijsassistent. Het salaris van werkneemster daalde van € 3.313 naar € 1.706 per maand en de werktijdfactor van 1,0 naar 0,8.


Als alleen gekeken zou worden naar de vermindering van de arbeidsduur zou zij recht hebben op een transitievergoeding van € 10.227. Als ook de vermindering van het salaris als gevolg van de herplaatsing zou worden meegewogen zou werkneemster aanspraak maken op een transitievergoeding van € 51.135.


Het Hof overweegt dat werkneemster in ieder geval recht heeft op een transitievergoeding in verband met de substantiële vermindering van de arbeidstijd met 20%, hetgeen conform de uitspraak is van de Hoge Raad in de hiervoor genoemde Kolom-beschikking in 2018. Daarnaast vraagt het Hof zich af of werkneemster ook recht heeft op een (aanvullende) transitievergoeding vanwege het substantiële inkomensverlies dat werkneemster heeft geleden door de plaatsing in een lagere salarisschaal.


Het Hof heeft in dit verband de volgende prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad: ‘Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook recht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering?’


De Hoge Raad heeft op 17 april 2020 deze vraag ontkennend beantwoord en oordeelt als volgt. De wet en het karakter van de transitievergoeding verzetten zich met een aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding als het inkomen lager wordt door herplaatsing in een functie met een lager salaris.

Herplaatsing in een andere passende functie (zonder urenverlies) is geen vorm van beëindiging als bedoeld in artikel 7:673 BW. Een dergelijke herplaatsing door de werkgever wordt in het wettelijke stelsel juist gezien als een weg om te voorkomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Herplaatsing in een andere passende functie is ook niet op één lijn te zetten met gedeeltelijke beëindiging van een arbeidsovereenkomst, zoals aan de orde was in de Kolom-beschikking. De regeling van de transitievergoeding is niet bedoeld om een vergoeding aan de werknemer toe te kennen voor verlies van inkomen om andere redenen dan door de (gedeeltelijke) beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Als een werknemer een inkomensachteruitgang heeft van ten minste 20 procent die het gevolg is van de combinatie van een structurele vermindering van de arbeidsduur met minder dan 20 procent en herplaatsing in een functie met een lager salaris, bestaat ook geen aanspraak op een (gedeeltelijke) transitievergoeding. In dat geval is immers geen sprake van een substantiële vermindering van de arbeidsduur als bedoeld in de Kolom-beschikking.


Moraal van dit verhaal

Uit de uitspraak in de Kolom-beschikking van 14 september 2018 blijkt dat de transitievergoeding gedeeltelijk verschuldigd is bij een substantiële urenvermindering. Uit de uitspraak van 17 april 2020 van de Hoge Raad blijkt dat een substantiële salarisvermindering echter niet gelijkgesteld kan worden met vermindering van de arbeidsduur. Er bestaat volgens de Hoge Raad dan ook alleen maar recht op een gedeeltelijke transitievergoeding als de arbeidsomvang met 20% of meer wordt verminderd.

 

 

      25-05-2020 16:14     Reacties ( 0 )
Reacties (0)

Geen reacties gevonden.